De jongen en de mammoet

De mammoet haalde diep adem. Een muffe geur van oude spullen vulde zijn neusgaten. Het stof kriebelde in zijn slurf. Hatsjoe.

‘Mammoet kan je mij helpen?’

Heel behendig ritste de mammoet de zak open. De jongen haalde er de tuinkussens uit en bouwde er een zit plek van: één tegen de dozen die tot onder de schuine balken waren opgestapeld, één op de stoffige houten vloer. Ze gingen dicht naast elkaar zitten. Het zwakke peertje aan een bungelende draad boven hen maakte een klein kringetje licht. Net groot genoeg. Op de schoot van de jongen lag een opengeslagen speelgoedboek. Hij had de eerste bladzijden maar meteen overgeslagen.

 ‘Mammoet ik ben toch te oud voor duplo en stapelbekers?’

Hij knikte. Iedere keer als de jongen iets omcirkelde, keek hij met een schuin oog. Dingen waarin je kan zingen met muziek en geluid. Dingen met knopjes en flitsen. Dingen die vanzelf rijden. In de ene hand hield hij een potlood. Zijn andere hand hield hij helemaal dicht, alsof er iets kleins inzat, wat nog even moest wachten. ‘Mammoet, heb jij eigenlijk een verlanglijstje?’

‘Ja.’ De zucht liet stof dwarrelen van een schilderij dat in de schaduw van oude spullen tegen een paar dozen leunde. Het stof danste naar beneden en maakte een stukje blauw zichtbaar. Blauw, stil en geheimzinnig. Na nog een zucht verscheen er een klein stukje groen. Hij hield zijn grote harige kop scheef. Een slapend bos?

Er werd nog een cirkel gezet in het speelgoedboek. Een auto met een kieplader. ‘Mammoet, heb jij wel eens iets gekregen wat je helemaal niet vroeg.’

‘Ja,’ Hij blies nog een keer en weer dwarrelde er stof van het schilderij. Het groen werd groter. Diep groen. En het blauw werd helderder.

‘Wat deed je dan?’

‘Dan zette ik het op mijn lijstje en streepte ik het door.’

‘Altijd?’

‘Nee, niet altijd.’

De jongen keek niet op van zijn speelgoedboek. Zijn vuist bleef gesloten om iets dat alleen hij voelde. ‘Mammoet als ik iets voor je heb, zou je het dan willen krijgen?’

‘Zeker.’

‘Ook als je niet weet wat het is?’

‘Ja!’

‘Maar het zou ook iets stoms kunnen zijn hè.’

‘Ja.’

‘Of iets lelijks.’

Zachtjes schudde hij zijn kop. Hij wist zeker van niet.

‘Of iets te groots.’ De jongen keek op van zijn boek.

Zijn blik bleef nog even bij het schilderij hangen. Het groen was net zo diep als het helderblauw. ‘Maar het kan ook iets moois zijn,’ zei hij dromerig. Er ontsnapte nog een diepe zucht uit zijn slurf. Het stof dwarrelde weer naar beneden. Maar er werd niet nog meer zichtbaar. De jongen schoof het speelgoedboek aan de kant en liet hij zijn aandacht los van het schilderij.

De vuist bleef nog even gesloten. Hij zag de rode, gele, blauwe en gemengde vlekken.  Langzaam gingen de vingers open.

Zijn grote harige schouders zakten, hij hield zijn adem in. Zijn ogen werden groot en stil. Daar lag iets glinsterends, klein, ovaal en glad.

Heb je wel eens iets gehouden, terwijl je het eigenlijk had moeten geven?

De glinsteringen weerkaatsten zijn ogen. Na een tijdje zei hij, ‘Ja.’

De jongen strekte zijn hand.

Hij hees zich wat rechterop. Met zijn slurf pakte hij het uit de handpalm. Het voelde breekbaar, maar ook warm en licht. Hij bekeek het van alle kanten. Alsof er iets in zat. Alsof het nog kon groeien.

De mammoet pakte het potlood en schreef in de lucht. Daarna haalde hij er een streep door.